In het Grenspark Kalmthoutse Heide, op de grens tussen Vlaanderen en Nederland, is woensdag 29 april een innovatief fosfaatfilter officieel opgeleverd. Dankzij een nauwe samenwerking tussen beide landen wordt historisch vervuild grondwater voortaan op een natuurlijke en energievrije manier gezuiverd, vóór het afstroomt naar het kwetsbare Nederlandse natuurgebied de Groote Meer.
De Steertse Heide, een deelgebied van het Grenspark Kalmthoutse Heide, is een voormalig landbouwgebied dat tegenwoordig fungeert als één groot wateropvangbekken. Regenwater verzamelt zich er en stroomt via greppels richting de Groote Meer in Nederland. Door het intensieve landbouwgebruik in het verleden raakte het gebied sterk belast en werd de ontwikkeling van waardevolle heide- en venvegetaties belemmert.
Het langdurige landbouwgebruik heeft geleid tot een hoge belasting van meststoffen zoals fosfaten en nitraten. Hoewel nitraten relatief snel uit de bodem verdwijnen, zijn fosfaten bijzonder hardnekkig en blijven ze lang aanwezig in het watersysteem. Om die belasting aan te pakken, werd in 2020 al een eerste fosfaatfilter geïnstalleerd op Nederlandse bodem. Die installatie zuivert het water uit het noordelijke deel van de Steertse Heide. Het succes van die eerste filter gaf het vertrouwen om het project, en daarmee de resultaten uit te breiden.
De werking van het systeem is technisch eenvoudig maar doeltreffend. Regenwater wordt opgevangen en stroomt door een filterlaag van ijzerzand, een restproduct uit de drinkwaterwinning. Fosfaten binden zich aan dat zand, zonder pompen of energieverbruik. Zo wordt het water duurzaam gezuiverd voordat het de grens overgaat.
Het nieuwe, tweede fosfaatfilter richt zich op het zuidelijke deel van het gebied. De installatie ligt op Belgisch grondgebied, en wordt gefinancierd door de provincie Noord-Brabant. Een investering van 1,4 miljoen euro. Deze investering is het resultaat van jarenlange grensoverschrijdende samenwerking binnen het Grenspark Kalmthoutse Heide. Vlaamse en Noord-Brabantse overheden, terreinbeheerders en waterpartners werken er al jaren samen aan één samenhangend landschap.
Hagar Roijackers, gedeputeerde provincie Noord-Brabant (Natuur, Milieu en Aanpak Landelijk Gebied): “De Groote Meer is een kwetsbaar natuurgebied dat wordt bedreigd door fosfaten en verdroging. Met deze maatregelen voorzien we het gebied van zuiver water dat ten goede komt van de biodiversiteit(De verscheidenheid aan leven in een bepaald gebied) in de Groote Meer en verder in natuurgebied de Brabantse Wal. Ook de waterhuishouding is verbeterd waardoor het nieuwe ecosysteem veel meer tegen een stootje kan. Ik ben trots op de jarenlange nauwe samenwerking met de Vlaamse en Noord-Brabantse partners. Iedereen heeft zijn verantwoordelijkheid genomen voor dit robuuste natuurgebied. Natuur en water stoppen nou eenmaal niet bij landsgrenzen.”
De oplevering van de fosfaatfilter past in de bredere natuurhersteloperatie. Tegelijk werd ook het Evertandven, een gedempt ven van vier hectare, opnieuw ingericht. Door natuurlijke schommelingen in het waterpeil ontstaat zo opnieuw een dynamisch ecosysteem met grotere variatie aan planten- en diersoorten.
donderdag 30 april 2026
woensdag 29 april 2026
Prullenbak moet zowel afval- als statiegeldproblemen aanpakken
In Amsterdam is afval op straat een groot probleem: vuilniszakken worden opengescheurd, blikjes slingeren rond en ongedierte wordt aangetrokken door de rommel. Vier studenten besloten dat het zo niet langer kon en ontwierpen daarom een nieuwe prullenbak die dit probleem moet verminderen.
Hun idee bestaat uit een stevige afvalbak met meerdere compartimenten. Bovenin kan gewoon restafval worden weggegooid, terwijl aan de zijkanten aparte vakken zitten voor statiegeldblikjes en -flessen. Deze komen terecht in een apart opvangsysteem, zodat mensen die statiegeld verzamelen ze gemakkelijk kunnen pakken zonder vuilniszakken open te scheuren.
De studenten – Quirijn van der Velden, Kick Tetteroo, Mike Reurings en Rens van den Brink – kwamen op het idee doordat ze zich dagelijks ergerden aan de rommel in de stad. Tijdens een studieopdracht kozen ze ervoor om een eigen onderneming te starten, en zo ontstond het plan voor deze innovatieve prullenbak.
Bij het ontwerp stond één doel centraal: voorkomen dat vuilniszakken worden opengereten. Volgens de studenten zorgt dat gedrag ervoor dat afval zich verspreidt en dat er meer ongedierte op afkomt. Tegelijk wilden ze geen strijd aangaan met mensen die statiegeld verzamelen. In plaats daarvan probeerden ze het hen juist makkelijker te maken door een apart vak te ontwerpen dat eenvoudig te openen is.
Na een eerste prototype werkten ze aan verbeteringen. Zo kreeg de bak onderin kleine gaatjes om regenwater en restjes drinken af te voeren, en werd de bovenkant schuin gemaakt zodat er geen afval op blijft liggen. Ook is het ontwerp zo gemaakt dat onderdelen afzonderlijk vervangen kunnen worden als ze beschadigd raken.
Om te testen of het concept werkte, plaatsten de studenten hun prullenbak op verschillende plekken in de stad en observeerden ze hoe mensen ermee omgingen. Ze zagen dat het statiegeldgedeelte actief werd gebruikt en dat gebruikers de bak netjes achterlieten. In één test werd een flesje al binnen twee minuten uit de bak gehaald.
Hun idee bestaat uit een stevige afvalbak met meerdere compartimenten. Bovenin kan gewoon restafval worden weggegooid, terwijl aan de zijkanten aparte vakken zitten voor statiegeldblikjes en -flessen. Deze komen terecht in een apart opvangsysteem, zodat mensen die statiegeld verzamelen ze gemakkelijk kunnen pakken zonder vuilniszakken open te scheuren.
De studenten – Quirijn van der Velden, Kick Tetteroo, Mike Reurings en Rens van den Brink – kwamen op het idee doordat ze zich dagelijks ergerden aan de rommel in de stad. Tijdens een studieopdracht kozen ze ervoor om een eigen onderneming te starten, en zo ontstond het plan voor deze innovatieve prullenbak.
Bij het ontwerp stond één doel centraal: voorkomen dat vuilniszakken worden opengereten. Volgens de studenten zorgt dat gedrag ervoor dat afval zich verspreidt en dat er meer ongedierte op afkomt. Tegelijk wilden ze geen strijd aangaan met mensen die statiegeld verzamelen. In plaats daarvan probeerden ze het hen juist makkelijker te maken door een apart vak te ontwerpen dat eenvoudig te openen is.
Na een eerste prototype werkten ze aan verbeteringen. Zo kreeg de bak onderin kleine gaatjes om regenwater en restjes drinken af te voeren, en werd de bovenkant schuin gemaakt zodat er geen afval op blijft liggen. Ook is het ontwerp zo gemaakt dat onderdelen afzonderlijk vervangen kunnen worden als ze beschadigd raken.
Om te testen of het concept werkte, plaatsten de studenten hun prullenbak op verschillende plekken in de stad en observeerden ze hoe mensen ermee omgingen. Ze zagen dat het statiegeldgedeelte actief werd gebruikt en dat gebruikers de bak netjes achterlieten. In één test werd een flesje al binnen twee minuten uit de bak gehaald.
dinsdag 28 april 2026
Verbod op sigarettenfilters kan hoeveelheid microplastics in milieu verminderen
Een verbod op sigarettenfilters kan de hoeveelheid microplastics in het milieu verminderen. Tegelijkertijd heeft zo’n verbod geen negatieve invloed op de gezondheid van rokers, omdat een filter een sigaret niet minder schadelijk maakt. Er zijn geen aanwijzingen voor extra milieuschade door het ontbreken van een filter. Dat blijkt uit onderzoek van het RIVM.
Na het roken van een filtersigaret blijft er een peuk over. Deze peuk bestaat uit het sigarettenfilter, een beetje tabak, papier en as. Het filter is vrijwel altijd gemaakt van celluloseacetaat, een type plastic. Omdat dit maar langzaam afbreekt, blijven deze filters tientallen jaren achter in het milieu. Tegelijkertijd levert het filter geen bewezen gezondheidsvoordeel voor de roker op.
Het RIVM bracht in kaart welke informatie er beschikbaar is over de stoffen die uit tabakspeuken met en zonder filter vrijkomen. In de wetenschappelijke literatuur is weinig bekend over verschillen in de impact op het milieu. Wel laat de literatuur zien dat er verschillende schadelijke stoffen uit tabakspeuken vrijkomen. Denk aan nicotine, metalen, microplastics, ’s en pesticiden. Een verbod op filters zal de hoeveelheid microplastics dat uit tabakspeuken in het milieu komt verlagen.Tabakspeuken zonder filter bevatten ongeveer drie keer zo veel tabak dan peuken met filter. Verwacht wordt dat een dergelijke toename te weinig is om een merkbaar effect op het milieu te kunnen zien. Aanvullend onderzoek kan helpen om deze verschillen beter in kaart te brengen.
Na het roken van een filtersigaret blijft er een peuk over. Deze peuk bestaat uit het sigarettenfilter, een beetje tabak, papier en as. Het filter is vrijwel altijd gemaakt van celluloseacetaat, een type plastic. Omdat dit maar langzaam afbreekt, blijven deze filters tientallen jaren achter in het milieu. Tegelijkertijd levert het filter geen bewezen gezondheidsvoordeel voor de roker op.
Het RIVM bracht in kaart welke informatie er beschikbaar is over de stoffen die uit tabakspeuken met en zonder filter vrijkomen. In de wetenschappelijke literatuur is weinig bekend over verschillen in de impact op het milieu. Wel laat de literatuur zien dat er verschillende schadelijke stoffen uit tabakspeuken vrijkomen. Denk aan nicotine, metalen, microplastics, ’s en pesticiden. Een verbod op filters zal de hoeveelheid microplastics dat uit tabakspeuken in het milieu komt verlagen.Tabakspeuken zonder filter bevatten ongeveer drie keer zo veel tabak dan peuken met filter. Verwacht wordt dat een dergelijke toename te weinig is om een merkbaar effect op het milieu te kunnen zien. Aanvullend onderzoek kan helpen om deze verschillen beter in kaart te brengen.
vrijdag 24 april 2026
Extra afvalinzameling tijdens Koningsdag in meerdere Nederlandse steden
Tijdens Koningsdag worden in meerdere Nederlandse steden extra voorzieningen ingezet om afval in te zamelen, grondstoffen te behouden en vervuiling van straten en water te voorkomen. Zo is er extra aandacht voor het gescheiden inzamelen van lege verpakkingen, statiegeldverpakkingen en restafval. Dit initiatief van Verpact met haar onderdeel Statiegeld Nederland wordt ingezet in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Eindhoven en Breda. Een extra opvallend onderdeel is het Verpact Recycle Café op de Keizersgracht in Amsterdam. Hier kunnen feestvierders op het water al hun lege verpakkingen inleveren. Daarnaast worden in de verschillende steden extra inzamelvoorzieningen geplaatst zoals bulkmachines en zijn alle Statiegeld Retourshops geopend.
Een zichtbaar voorbeeld van de aanpak is het Verpact Recycle Café in Amsterdam. Dit is een omgekeerd café: de eerste kroeg waar brengen belangrijker is dan bestellen. Het tijdelijke drijvende inleverpunt ziet eruit als een herkenbaar Amsterdams café op het water. Op de Keizersgracht ter hoogte van de Runstraat kunnen feestvierders al varend al hun lege verpakkingsafval, statiegeldflesjes en -blikjes inleveren. Boten kunnen er stapvoets doorheen varen zonder aan te meren. Met deze opzet wordt voorkomen dat zwerfafval in de drukbezochte grachten terechtkomt en worden de lege verpakkingen gerecycled tot grondstof voor nieuwe. Het Verpact Recycle Café wordt ondersteund door meerdere partijen uit de brouwers‑ en frisdrankensector.
“Koningsdag is voor Amsterdam één van de drukstbezochte dagen van het jaar en we weten dat veel mensen hun eigen eten en drinken meenemen. Dat is gezellig, maar het betekent ook dat de kans op afval in de openbare ruimte en in het water groter wordt. Dat willen we voorkomen. Met extra tijdelijke inzamelvoorzieningen, zoals het Verpact Recycle Café op de Keizersgracht, zorgen we ervoor dat feestvierders al hun lege verpakkingen en statiegeldverpakkingen makkelijk kunnen inleveren. Zo houden we samen de stad schoon én kunnen we de lege verpakkingen recyclen tot grondstof voor nieuwe,” aldus Hester Klein Lankhorst, CEO van Verpact.
In verschillende steden worden extra voorzieningen ingezet om piekdrukte tijdens Koningsdag op te vangen. Ook in Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Breda en Eindhoven worden op drukbezochte locaties tijdelijke inzamelpunten en extra statiegeldbulkmachines geplaatst. Deze maken het mogelijk om grotere hoeveelheden lege flesjes en blikjes snel in te leveren. Gedurende Koningsdag zijn ook alle Statiegeld Retourshops geopend.
Een zichtbaar voorbeeld van de aanpak is het Verpact Recycle Café in Amsterdam. Dit is een omgekeerd café: de eerste kroeg waar brengen belangrijker is dan bestellen. Het tijdelijke drijvende inleverpunt ziet eruit als een herkenbaar Amsterdams café op het water. Op de Keizersgracht ter hoogte van de Runstraat kunnen feestvierders al varend al hun lege verpakkingsafval, statiegeldflesjes en -blikjes inleveren. Boten kunnen er stapvoets doorheen varen zonder aan te meren. Met deze opzet wordt voorkomen dat zwerfafval in de drukbezochte grachten terechtkomt en worden de lege verpakkingen gerecycled tot grondstof voor nieuwe. Het Verpact Recycle Café wordt ondersteund door meerdere partijen uit de brouwers‑ en frisdrankensector.
“Koningsdag is voor Amsterdam één van de drukstbezochte dagen van het jaar en we weten dat veel mensen hun eigen eten en drinken meenemen. Dat is gezellig, maar het betekent ook dat de kans op afval in de openbare ruimte en in het water groter wordt. Dat willen we voorkomen. Met extra tijdelijke inzamelvoorzieningen, zoals het Verpact Recycle Café op de Keizersgracht, zorgen we ervoor dat feestvierders al hun lege verpakkingen en statiegeldverpakkingen makkelijk kunnen inleveren. Zo houden we samen de stad schoon én kunnen we de lege verpakkingen recyclen tot grondstof voor nieuwe,” aldus Hester Klein Lankhorst, CEO van Verpact.
In verschillende steden worden extra voorzieningen ingezet om piekdrukte tijdens Koningsdag op te vangen. Ook in Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Breda en Eindhoven worden op drukbezochte locaties tijdelijke inzamelpunten en extra statiegeldbulkmachines geplaatst. Deze maken het mogelijk om grotere hoeveelheden lege flesjes en blikjes snel in te leveren. Gedurende Koningsdag zijn ook alle Statiegeld Retourshops geopend.
donderdag 23 april 2026
TAUW’s Carbon Footprint 2025 en aangescherpte klimaatambities
TAUW presenteert de Carbon Footprint 2025. In 2025 bedraagt de CO₂‑uitstoot van TAUW Nederland circa 1.200 ton CO₂. Deze resultaten vormen een belangrijke basis voor het milieubeleid en de klimaatstrategie van de organisatie. Daarnaast markeert het toekomstgerichte Klimaattransitieplan richting 2050 een verdere aanscherping van de koers naar Net Zero.
Het grootste deel van de uitstoot bestaat, net als in voorgaande jaren, uit zakelijk verkeer en woon-werkverkeer (ruim 60%), gevolgd door gebouwgebonden energieverbruik. Dankzij maatregelen zoals de volledige elektrificatie van het leasewagenpark, de inzet van Nederlandse groene stroom en de eigen zonne-energieproductie, heeft TAUW opnieuw een significante emissiereductie gerealiseerd. Deze positieve trend laat zien dat structurele verduurzamingsmaatregelen daadwerkelijk effect hebben.
TAUW is momenteel gecertificeerd voor trede 5 van de CO₂‑Prestatieladder, Handboek 3.1, en heeft de ambitie om zich in 2026 te laten certificeren voor trede 3 van Handboek 4.0. Om de ambities en strategische koers richting Net Zero helder te verankeren, heeft TAUW een Klimaattransitieplan richting 2050 opgesteld. Dit plan biedt richting en houvast voor de komende jaren.
De doelstellingen in het Klimaattransitieplan sluiten aan op internationale kaders, zoals de EU Green Deal, de CSRD en de door SBTi gevalideerde groepsstrategie. Alle reducties worden weergegeven ten opzichte van het basisjaar 2019. In de onderstaande tabellen zijn de reductiedoelstellingen voor CO₂ en energie opgenomen, uitgesplitst naar de korte, middellange en lange termijn. Daarnaast is ook de behaalde reductie in 2024 weergegeven, aangezien dit als tussenliggend basisjaar wordt gehanteerd.
TAUW heeft in 2025 al verschillende maatregelen genomen die direct bijdragen aan CO₂ reductie, zoals het vervangen van gasheaters door warmtepompen. Daarnaast is op de locatie Deventer een accu van 220 kWh geplaatst, waarmee we zonne energie lokaal opslaan en optimaal benutten. Hierdoor draaide de locatie in meerdere zomermaanden volledig op eigen opgewekte elektriciteit. Ook is ingezet op100% Nerderlandse hernieuwbare stroom.
In 2026 ligt de focus op maatregelen met direct effect, waaronder de verdere elektrificatie van mobiliteit, zoals het vervangen van fossiele veldwerkbussen en het stimuleren van elektrische huur- en leenauto’s. Ook zet TAUW in op het opschalen van duurzame energieopwek en -opslag, waaronder de uitbreiding van zonnepanelen. Deze maatregelen vormen de belangrijkste hefboom om de kortetermijndoelen te realiseren.
Het grootste deel van de uitstoot bestaat, net als in voorgaande jaren, uit zakelijk verkeer en woon-werkverkeer (ruim 60%), gevolgd door gebouwgebonden energieverbruik. Dankzij maatregelen zoals de volledige elektrificatie van het leasewagenpark, de inzet van Nederlandse groene stroom en de eigen zonne-energieproductie, heeft TAUW opnieuw een significante emissiereductie gerealiseerd. Deze positieve trend laat zien dat structurele verduurzamingsmaatregelen daadwerkelijk effect hebben.
TAUW is momenteel gecertificeerd voor trede 5 van de CO₂‑Prestatieladder, Handboek 3.1, en heeft de ambitie om zich in 2026 te laten certificeren voor trede 3 van Handboek 4.0. Om de ambities en strategische koers richting Net Zero helder te verankeren, heeft TAUW een Klimaattransitieplan richting 2050 opgesteld. Dit plan biedt richting en houvast voor de komende jaren.
De doelstellingen in het Klimaattransitieplan sluiten aan op internationale kaders, zoals de EU Green Deal, de CSRD en de door SBTi gevalideerde groepsstrategie. Alle reducties worden weergegeven ten opzichte van het basisjaar 2019. In de onderstaande tabellen zijn de reductiedoelstellingen voor CO₂ en energie opgenomen, uitgesplitst naar de korte, middellange en lange termijn. Daarnaast is ook de behaalde reductie in 2024 weergegeven, aangezien dit als tussenliggend basisjaar wordt gehanteerd.
TAUW heeft in 2025 al verschillende maatregelen genomen die direct bijdragen aan CO₂ reductie, zoals het vervangen van gasheaters door warmtepompen. Daarnaast is op de locatie Deventer een accu van 220 kWh geplaatst, waarmee we zonne energie lokaal opslaan en optimaal benutten. Hierdoor draaide de locatie in meerdere zomermaanden volledig op eigen opgewekte elektriciteit. Ook is ingezet op100% Nerderlandse hernieuwbare stroom.
In 2026 ligt de focus op maatregelen met direct effect, waaronder de verdere elektrificatie van mobiliteit, zoals het vervangen van fossiele veldwerkbussen en het stimuleren van elektrische huur- en leenauto’s. Ook zet TAUW in op het opschalen van duurzame energieopwek en -opslag, waaronder de uitbreiding van zonnepanelen. Deze maatregelen vormen de belangrijkste hefboom om de kortetermijndoelen te realiseren.
woensdag 22 april 2026
Nederland ziet CO2-uitstoot stijgen
Nederland stoot meer CO2 uit, maar opvallend genoeg komt dat niet vooral door extra binnenlands verbruik. De stijging hangt juist samen met de groeiende export van elektriciteit naar het buitenland. Nederland springt steeds vaker bij wanneer buurlanden minder stroom kunnen opwekken.
In België lagen kerncentrales tijdelijk stil voor onderhoud, Duitsland had minder opbrengst uit windenergie en in Oostenrijk en Zwitserland viel waterkracht tegen door lage waterstanden. Daardoor ontstond elders in Europa een tekort, waarna Nederlandse gas- en kolencentrales vaker werden ingezet.
Dat zorgt voor een opvallend effect: de uitstoot stijgt binnen de Nederlandse landsgrenzen, terwijl de geproduceerde stroom deels in het buitenland wordt gebruikt. Op papier lijkt Nederland daardoor vervuilender, terwijl het in werkelijkheid gaat om een Europees energiesysteem waarin landen elkaar ondersteunen.
Volgens de Nederlandse Emissieautoriteit kwam de uitstoot van grote bedrijven in 2025 uit op ongeveer 72 miljoen ton CO2, een stijging van 2,3 procent. Vooral de energiesector was verantwoordelijk voor die toename.
De discussie die hierdoor ontstaat: moet uitstoot vooral per land worden afgerekend, of moet je kijken naar het totale Europese plaatje? Want CO2 stopt tenslotte niet bij de grens.
In België lagen kerncentrales tijdelijk stil voor onderhoud, Duitsland had minder opbrengst uit windenergie en in Oostenrijk en Zwitserland viel waterkracht tegen door lage waterstanden. Daardoor ontstond elders in Europa een tekort, waarna Nederlandse gas- en kolencentrales vaker werden ingezet.
Dat zorgt voor een opvallend effect: de uitstoot stijgt binnen de Nederlandse landsgrenzen, terwijl de geproduceerde stroom deels in het buitenland wordt gebruikt. Op papier lijkt Nederland daardoor vervuilender, terwijl het in werkelijkheid gaat om een Europees energiesysteem waarin landen elkaar ondersteunen.
Volgens de Nederlandse Emissieautoriteit kwam de uitstoot van grote bedrijven in 2025 uit op ongeveer 72 miljoen ton CO2, een stijging van 2,3 procent. Vooral de energiesector was verantwoordelijk voor die toename.
De discussie die hierdoor ontstaat: moet uitstoot vooral per land worden afgerekend, of moet je kijken naar het totale Europese plaatje? Want CO2 stopt tenslotte niet bij de grens.
dinsdag 21 april 2026
Enorme bergen grofvuil bij dumpplek in Sloten
Bij een afvaldumpplaats aan de Sloterweg in Amsterdam, vlak bij het oude dorp Sloten, stapelen grote hoeveelheden grofvuil zich week na week op. De situatie zorgt voor flinke overlast onder omwonenden, die de toestand als zorgwekkend omschrijven.
Om het probleem aan te pakken, plaatste de gemeente eind vorig jaar een betonnen container. Volgens bewoners heeft deze maatregel echter een averechts effect: in plaats van minder afval, lijkt de plek juist meer mensen aan te trekken om hun grofvuil daar achter te laten.
De afvalbergen groeien daardoor snel en leiden tot frustratie en onrust in de buurt. Wat bedoeld was als oplossing, wordt door bewoners inmiddels gezien als onderdeel van het probleem.
Om het probleem aan te pakken, plaatste de gemeente eind vorig jaar een betonnen container. Volgens bewoners heeft deze maatregel echter een averechts effect: in plaats van minder afval, lijkt de plek juist meer mensen aan te trekken om hun grofvuil daar achter te laten.
De afvalbergen groeien daardoor snel en leiden tot frustratie en onrust in de buurt. Wat bedoeld was als oplossing, wordt door bewoners inmiddels gezien als onderdeel van het probleem.
maandag 20 april 2026
Miljoenenstrop voor Tata Steel: Provincie grijpt hard in na extreme uitstoot
De lucht boven de IJmond is momenteel zwanger van meer dan alleen fijnstof. De provincie Noord-Holland heeft Tata Steel een ongekende financiële klap uitgedeeld: een dwangsom van maar liefst 8,5 miljoen euro. De reden? De staalgigant krijgt de uitstoot van zijn verouderde kooksgasfabrieken maar niet onder controle.
Terwijl Tata Steel achter de schermen koortsachtig werkt aan plannen voor 'Groen Staal', haalt de realiteit van de huidige installaties het bedrijf links in. Uit recente metingen van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (ODNZKG) blijkt dat de uitstootnormen niet slechts marginaal werden overschreden, maar op schokkende wijze werden genegeerd.
De boete spitst zich toe op de Kooksgasfabrieken (KGF) 1 en 2. Dit zijn de onderdelen van het complex waar steenkool bij extreem hoge temperaturen wordt omgezet in kooks, een essentieel maar vervuilend proces voor de staalproductie.
Volgens de toezichthouder werden er concentraties van zware metalen en PAK’s (polycyclische aromatische koolwaterstoffen) gemeten die in sommige gevallen 5 tot 20 keer hoger lagen dan wettelijk is toegestaan. PAK’s staan bekend als kankerverwekkend en vormen al jaren een groot punt van zorg voor de volksgezondheid in de omliggende woonkernen zoals Wijk aan Zee en Beverwijk.
De boete van 8,5 miljoen euro is geen op zichzelf staand incident, maar een zogeheten 'invordering'. Dit betekent dat de provincie al eerder had gewaarschuwd: "Verbeter de uitstoot, of betaal." Omdat Tata Steel er niet in slaagde de lekkages en ongecontroleerde uitstoot binnen de gestelde termijn te beteugelen, wordt de dwangsom nu daadwerkelijk geïnd.
Stichting Frisse Wind, de actiegroep die namens omwonenden strijdt voor een gezondere leefomgeving, spreekt van een "noodzakelijk signaal", al benadrukken zij dat geld de giftige uitstoot niet ongedaan maakt.
Tata Steel heeft inmiddels een officiële zienswijze ingediend. Het bedrijf erkent de uitdagingen bij de verouderde fabrieken, maar voert aan dat technische verbeteringen tijd kosten. Het bedrijf mikt op een volledige sluiting van Kooksgasfabriek 2 in 2030, die vervangen moet worden door schonere waterstoftechnologie.
De grote vraag is of de provincie en de omwonenden nog zoveel geduld hebben. Met de huidige boete laat de overheid in ieder geval zien dat de tijd van 'vrijblijvend polderen' over de rug van de volksgezondheid definitief voorbij is.
Terwijl Tata Steel achter de schermen koortsachtig werkt aan plannen voor 'Groen Staal', haalt de realiteit van de huidige installaties het bedrijf links in. Uit recente metingen van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (ODNZKG) blijkt dat de uitstootnormen niet slechts marginaal werden overschreden, maar op schokkende wijze werden genegeerd.
De boete spitst zich toe op de Kooksgasfabrieken (KGF) 1 en 2. Dit zijn de onderdelen van het complex waar steenkool bij extreem hoge temperaturen wordt omgezet in kooks, een essentieel maar vervuilend proces voor de staalproductie.
Volgens de toezichthouder werden er concentraties van zware metalen en PAK’s (polycyclische aromatische koolwaterstoffen) gemeten die in sommige gevallen 5 tot 20 keer hoger lagen dan wettelijk is toegestaan. PAK’s staan bekend als kankerverwekkend en vormen al jaren een groot punt van zorg voor de volksgezondheid in de omliggende woonkernen zoals Wijk aan Zee en Beverwijk.
De boete van 8,5 miljoen euro is geen op zichzelf staand incident, maar een zogeheten 'invordering'. Dit betekent dat de provincie al eerder had gewaarschuwd: "Verbeter de uitstoot, of betaal." Omdat Tata Steel er niet in slaagde de lekkages en ongecontroleerde uitstoot binnen de gestelde termijn te beteugelen, wordt de dwangsom nu daadwerkelijk geïnd.
Stichting Frisse Wind, de actiegroep die namens omwonenden strijdt voor een gezondere leefomgeving, spreekt van een "noodzakelijk signaal", al benadrukken zij dat geld de giftige uitstoot niet ongedaan maakt.
Tata Steel heeft inmiddels een officiële zienswijze ingediend. Het bedrijf erkent de uitdagingen bij de verouderde fabrieken, maar voert aan dat technische verbeteringen tijd kosten. Het bedrijf mikt op een volledige sluiting van Kooksgasfabriek 2 in 2030, die vervangen moet worden door schonere waterstoftechnologie.
De grote vraag is of de provincie en de omwonenden nog zoveel geduld hebben. Met de huidige boete laat de overheid in ieder geval zien dat de tijd van 'vrijblijvend polderen' over de rug van de volksgezondheid definitief voorbij is.
vrijdag 17 april 2026
Veiliger werken met asbest met nieuw vergunningstelsel
Om werken met asbest veiliger te maken, wordt naar verwachting per 1 januari 2027 een nieuw vergunningstelsel ingevoerd. Ook komen er erkende opleidingen voor werknemers die met asbest werken. De veranderingen zijn het gevolg van de nieuwe Europese Asbestrichtlijn. De nieuwe regelgeving gaat nu in internetconsulatie, zodat belanghebbenden kunnen reageren op de uitwerking ervan.
Om werknemers beter te beschermen tegen de risico’s van asbest, is de Europese regelgeving strenger geworden. Deze Europese richtlijn vereist dat er gewerkt wordt met een vergunningstelsel. Dat is ten opzichte van de huidige regels een grote stelselwijziging. Alle Europese lidstaten moeten aan de nieuwe regels voldoen. Daarom past het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de huidige regelgeving rondom asbestwerkzaamheden aan.
Voor bedrijven komen verschillende categorieën vergunningen, van beperkt tot uitgebreid. Welke vergunning ze nodig hebben, hangt af van wat voor asbest ze verwijderen. Bedrijven die bijvoorbeeld alleen asbest in kitranden van ramen verwijderen, zoals schilders, hebben een beperkte vergunning nodig. Voor het verwijderen van asbest in onder meer stucwerk of isolatiemateriaal geldt de uitgebreide vergunning. Een basisvergunning is bijvoorbeeld nodig voor het verwijderen van asbestdaken.
Als de nieuwe regelgeving in werking is, is er nog een overgangsperiode van een half jaar voor bedrijven om aan de regelgeving te voldoen.
Ook voor werknemers die met asbest werken, gaan andere regels gelden. Zij moeten een opleiding volgen bij een erkende opleider. Na afronding moeten ze zich blijven bijscholen. De opleidingsresultaten komen in het register Gezond en Veilig werken met Asbest. Bij de vergunningaanvraag moeten bedrijven aantonen dat het personeel volgens de eisen is opgeleid.
Nu al hebben mensen die met asbest werken een opleiding nodig. Daarom zijn er al veel asbestopleidingen die naar verwachting in aanmerking komen voor erkenning. Opleiders kunnen waarschijnlijk voor de zomer bij de Stichting Ascert een aanvraag voor erkenning doen.
Om werknemers beter te beschermen tegen de risico’s van asbest, is de Europese regelgeving strenger geworden. Deze Europese richtlijn vereist dat er gewerkt wordt met een vergunningstelsel. Dat is ten opzichte van de huidige regels een grote stelselwijziging. Alle Europese lidstaten moeten aan de nieuwe regels voldoen. Daarom past het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de huidige regelgeving rondom asbestwerkzaamheden aan.
Voor bedrijven komen verschillende categorieën vergunningen, van beperkt tot uitgebreid. Welke vergunning ze nodig hebben, hangt af van wat voor asbest ze verwijderen. Bedrijven die bijvoorbeeld alleen asbest in kitranden van ramen verwijderen, zoals schilders, hebben een beperkte vergunning nodig. Voor het verwijderen van asbest in onder meer stucwerk of isolatiemateriaal geldt de uitgebreide vergunning. Een basisvergunning is bijvoorbeeld nodig voor het verwijderen van asbestdaken.
Als de nieuwe regelgeving in werking is, is er nog een overgangsperiode van een half jaar voor bedrijven om aan de regelgeving te voldoen.
Ook voor werknemers die met asbest werken, gaan andere regels gelden. Zij moeten een opleiding volgen bij een erkende opleider. Na afronding moeten ze zich blijven bijscholen. De opleidingsresultaten komen in het register Gezond en Veilig werken met Asbest. Bij de vergunningaanvraag moeten bedrijven aantonen dat het personeel volgens de eisen is opgeleid.
Nu al hebben mensen die met asbest werken een opleiding nodig. Daarom zijn er al veel asbestopleidingen die naar verwachting in aanmerking komen voor erkenning. Opleiders kunnen waarschijnlijk voor de zomer bij de Stichting Ascert een aanvraag voor erkenning doen.
donderdag 16 april 2026
Fries grondwater vervuild met PFAS
In Friesland staat de kwaliteit van het grondwater – een belangrijke bron voor drinkwater – onder druk. Uit onderzoek blijkt dat dit water op meerdere plekken vervuild is met PFAS en resten van bestrijdingsmiddelen. Deze stoffen zijn zorgwekkend omdat ze nauwelijks afbreken en zich kunnen ophopen in het milieu en in het menselijk lichaam.
De vervuiling heeft verschillende oorzaken. PFAS komt onder meer vrij bij industriële activiteiten en het gebruik van blusschuim, maar ook via landbouwmiddelen. Vooral bestrijdingsmiddelen blijken een belangrijke bron, omdat sommige daarvan PFAS-achtige stoffen bevatten die uiteindelijk in de bodem en het grondwater terechtkomen.
Waterbeheerders en onderzoekers maken zich zorgen omdat juist dit grondwater wordt gebruikt voor de productie van drinkwater. Als de kwaliteit verslechtert, wordt het steeds moeilijker en duurder om het water schoon genoeg te maken. Bovendien zijn PFAS-stoffen lastig te verwijderen met bestaande zuiveringstechnieken.
Metingen laten zien dat de vervuiling niet op zichzelf staat: op meerdere plekken in Friesland worden verhoogde concentraties gevonden. Eerder onderzoek toonde ook al aan dat een aanzienlijk deel van het oppervlaktewater te maken heeft met verontreiniging door bestrijdingsmiddelen.
Overheden en waterschappen onderzoeken daarom hoe groot het probleem precies is en waar de bronnen liggen. Tegelijk klinkt de roep om strengere regels voor het gebruik van schadelijke stoffen, zodat verdere vervuiling kan worden voorkomen.
De vervuiling heeft verschillende oorzaken. PFAS komt onder meer vrij bij industriële activiteiten en het gebruik van blusschuim, maar ook via landbouwmiddelen. Vooral bestrijdingsmiddelen blijken een belangrijke bron, omdat sommige daarvan PFAS-achtige stoffen bevatten die uiteindelijk in de bodem en het grondwater terechtkomen.
Waterbeheerders en onderzoekers maken zich zorgen omdat juist dit grondwater wordt gebruikt voor de productie van drinkwater. Als de kwaliteit verslechtert, wordt het steeds moeilijker en duurder om het water schoon genoeg te maken. Bovendien zijn PFAS-stoffen lastig te verwijderen met bestaande zuiveringstechnieken.
Metingen laten zien dat de vervuiling niet op zichzelf staat: op meerdere plekken in Friesland worden verhoogde concentraties gevonden. Eerder onderzoek toonde ook al aan dat een aanzienlijk deel van het oppervlaktewater te maken heeft met verontreiniging door bestrijdingsmiddelen.
Overheden en waterschappen onderzoeken daarom hoe groot het probleem precies is en waar de bronnen liggen. Tegelijk klinkt de roep om strengere regels voor het gebruik van schadelijke stoffen, zodat verdere vervuiling kan worden voorkomen.
woensdag 15 april 2026
Klimaat blijkt juist niet te polariseren: ‘We zijn het zelfs steeds meer met elkaar eens’
Het verschil van mening over klimaatverandering onder Nederlanders is de afgelopen veertig jaar niet toegenomen, maar juist afgenomen. Dat blijkt uit onderzoek van sociologen Anuschka Peelen en Jochem Tolsma van de Radboud Universiteit. Ook vonden ze geen bewijs dat groepen Nederlanders met verschillende opleidingen qua klimaatmening steeds verder uit elkaar liggen.
Peelen en Tolsma keken naar opvattingen over het klimaat van ruim 50.000 Nederlanders tussen 1986 en 2023. Het ging om antwoorden op vragen en stellingen als ‘Ik maak me zorgen om het klimaat’ en ‘De overheid doet voldoende om klimaatverandering tegen te gaan’. Peelen: ‘We onderzochten daarbij hoe Nederlanders tussen 1986 en 2023 zijn veranderd in hun houding ten opzichte van het klimaat en of deze meningen verder uit elkaar zijn gaan liggen. Dus of er sprake was van toenemende polarisatie.’ Uit die vergelijking bleek dat het klimaat juist niet voor een grotere polarisatie zorgde, maar dat mensen dichterbij elkaar zijn gekomen wat betreft hun klimaatmening. ‘Steeds meer mensen nemen klimaatverandering serieus en daarin hebben ze elkaar de afgelopen jaren meer gevonden.’
Als voorbeeld geeft Peelen de stelling dat iemand zich zorgen maakt over klimaatverandering. 23% van de Nederlanders maakte zich 10 jaar geleden helemaal geen, of niet zo veel zorgen om klimaatverandering. In datzelfde jaar gaf ook 23% aan zich (extreem) veel zorgen te maken om klimaatverandering. ‘Kijken we naar dezelfde vraag in 2023, is de groep die zich geen of niet veel zorgen maakt gekrompen naar 19%, terwijl de groep Nederlanders die zich (extreem) veel zorgen maakt gegroeid is naar 35%. Er is bovendien minder variatie in deze opvatting gekomen, wat duidt op afnemende polarisatie.’
Dat is nogal opvallend, stelt de socioloog: ‘Uit verschillende rapporten, waaronder van het SCP, blijkt dat Nederlanders het idee hebben dat onze houdingen steeds verder uit elkaar liggen en wellicht onoverbrugbaar worden.’ Ook onderzoek in opdracht van SIRE liet zien dat 80 procent van de Nederlanders het gevoel heeft dat er een recente stijging van polarisatie is. ‘Wij tonen dat de daadwerkelijke polarisatie helemaal niet verder is gestegen: de meeste mensen zijn het bijvoorbeeld qua klimaat meer met je eens dan je denkt. Hoewel de belevingen van polarisatie pessimistisch kunnen stemmen, is het hoopvol om te weten dat men het juist meer eens is geworden over klimaatverandering. ‘
Ook blijkt uit het onderzoek dat er wat betreft dit onderwerp geen grotere kloof is gekomen tussen basis-, midden- en hoogopgeleiden in de afgelopen veertig jaar. ‘De leefwerelden van mensen met en zonder academische opleiding zouden volgens verschillende wetenschappers steeds verder gescheiden raken. Onze resultaten demonstreren dat basis-, midden- en hoogopgeleiden over de tijd niet verder van elkaar zijn gaan verschillen in hun meningen over het klimaat. Als het gaat om het klimaat weten praktisch en theoretisch geschoolden elkaar wel degelijk te vinden.’
Peelen en Tolsma keken naar opvattingen over het klimaat van ruim 50.000 Nederlanders tussen 1986 en 2023. Het ging om antwoorden op vragen en stellingen als ‘Ik maak me zorgen om het klimaat’ en ‘De overheid doet voldoende om klimaatverandering tegen te gaan’. Peelen: ‘We onderzochten daarbij hoe Nederlanders tussen 1986 en 2023 zijn veranderd in hun houding ten opzichte van het klimaat en of deze meningen verder uit elkaar zijn gaan liggen. Dus of er sprake was van toenemende polarisatie.’ Uit die vergelijking bleek dat het klimaat juist niet voor een grotere polarisatie zorgde, maar dat mensen dichterbij elkaar zijn gekomen wat betreft hun klimaatmening. ‘Steeds meer mensen nemen klimaatverandering serieus en daarin hebben ze elkaar de afgelopen jaren meer gevonden.’
Als voorbeeld geeft Peelen de stelling dat iemand zich zorgen maakt over klimaatverandering. 23% van de Nederlanders maakte zich 10 jaar geleden helemaal geen, of niet zo veel zorgen om klimaatverandering. In datzelfde jaar gaf ook 23% aan zich (extreem) veel zorgen te maken om klimaatverandering. ‘Kijken we naar dezelfde vraag in 2023, is de groep die zich geen of niet veel zorgen maakt gekrompen naar 19%, terwijl de groep Nederlanders die zich (extreem) veel zorgen maakt gegroeid is naar 35%. Er is bovendien minder variatie in deze opvatting gekomen, wat duidt op afnemende polarisatie.’
Dat is nogal opvallend, stelt de socioloog: ‘Uit verschillende rapporten, waaronder van het SCP, blijkt dat Nederlanders het idee hebben dat onze houdingen steeds verder uit elkaar liggen en wellicht onoverbrugbaar worden.’ Ook onderzoek in opdracht van SIRE liet zien dat 80 procent van de Nederlanders het gevoel heeft dat er een recente stijging van polarisatie is. ‘Wij tonen dat de daadwerkelijke polarisatie helemaal niet verder is gestegen: de meeste mensen zijn het bijvoorbeeld qua klimaat meer met je eens dan je denkt. Hoewel de belevingen van polarisatie pessimistisch kunnen stemmen, is het hoopvol om te weten dat men het juist meer eens is geworden over klimaatverandering. ‘
Ook blijkt uit het onderzoek dat er wat betreft dit onderwerp geen grotere kloof is gekomen tussen basis-, midden- en hoogopgeleiden in de afgelopen veertig jaar. ‘De leefwerelden van mensen met en zonder academische opleiding zouden volgens verschillende wetenschappers steeds verder gescheiden raken. Onze resultaten demonstreren dat basis-, midden- en hoogopgeleiden over de tijd niet verder van elkaar zijn gaan verschillen in hun meningen over het klimaat. Als het gaat om het klimaat weten praktisch en theoretisch geschoolden elkaar wel degelijk te vinden.’
dinsdag 14 april 2026
Inleveren stikstofvergunning kan voortaan kosteloos
Bedrijven die vrijwillig hun stikstofvergunning volledig laten intrekken, hoeven geen leges meer te betalen aan de provincie Overijssel. Dit zijn kosten die je aan de provincie betaalt. De provincie hoopt met deze stap het voor ondernemers makkelijker te maken om hun inactieve vergunningen in te leveren.
"Sommige ondernemers houden hun vergunning, omdat ze denken dat die later nog geld waard wordt of weer te gebruiken is. Na recente uitspraken van rechtbanken is die kans erg klein geworden. Andere ondernemers laten de vergunning intact omdat voor het intrekken leges betaald moeten worden. Of omdat ze er niet bij stilstaan dat de vergunning ingetrokken kan worden,” zegt gedeputeerde Gert Harm ten Bolscher.
"Nu de leges vervallen, verdwijnt een drempel om een vergunning in te trekken. Ondernemers die hun vergunning niet meer gebruiken, nodigen wij uit om deze in te leveren. Zo zien we beter welke vergunningen geen stikstofuitstoot meer veroorzaken. Die tellen dan niet meer mee in de uitstootcijfers vergeleken met bijvoorbeeld 2019."
Tot nu toe betaalden bedrijven 971 euro om hun Natura 2000-vergunning (stikstofvergunning) te laten intrekken, ongeacht de reden. Voor sommige ondernemers was dit een drempel om de vergunning vrijwillig te beëindigen. Door het afschaffen van de leges is die drempel dus weggenomen.
"Sommige ondernemers houden hun vergunning, omdat ze denken dat die later nog geld waard wordt of weer te gebruiken is. Na recente uitspraken van rechtbanken is die kans erg klein geworden. Andere ondernemers laten de vergunning intact omdat voor het intrekken leges betaald moeten worden. Of omdat ze er niet bij stilstaan dat de vergunning ingetrokken kan worden,” zegt gedeputeerde Gert Harm ten Bolscher.
"Nu de leges vervallen, verdwijnt een drempel om een vergunning in te trekken. Ondernemers die hun vergunning niet meer gebruiken, nodigen wij uit om deze in te leveren. Zo zien we beter welke vergunningen geen stikstofuitstoot meer veroorzaken. Die tellen dan niet meer mee in de uitstootcijfers vergeleken met bijvoorbeeld 2019."
Tot nu toe betaalden bedrijven 971 euro om hun Natura 2000-vergunning (stikstofvergunning) te laten intrekken, ongeacht de reden. Voor sommige ondernemers was dit een drempel om de vergunning vrijwillig te beëindigen. Door het afschaffen van de leges is die drempel dus weggenomen.
maandag 13 april 2026
Noord-Nederland maakt zich klaar voor duurzame plastic doorbraken
Plastic is onmisbaar in onze samenleving, het lost problemen op maar veroorzaakt ze ook. Startups die deze problemen proberen op te lossen door zich in te zetten voor de transitie naar circulaire plastics kennen vele uitdagingen en niet alle innovaties komen hierdoor op de markt. Met het project plesTic Ready wil Noord-Nederland daar verandering in brengen met een nieuw te ontwikkelen, multidisciplinaire plesTic-aanpak.
Greenwise Circulaire Plastics, de circulaire verenigingen Groningen/Drenthe en Friesland en bedrijfscluster SuspaccBiocooperatie gaan samen met kennisinstellingen en overheden hiermee aan de slag.
Het project wordt mede gefinancierd door de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen en de gemeenten Emmen en Heerenveen, met subsidie vanuit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO). Met het project is een totale investering van 6 miljoen euro gemoeid.
Met de plesTic-aanpak wordt al in een vroeg stadium onderzocht welke factoren het succes van nieuwe technologieën of materialen in de weg staan. Niet alleen de technische kant krijgt aandacht, maar juist ook de niet-technologische randvoorwaarden. Hiervoor zijn de plesTic-letters: Policy (beleid), Logistics (ketens en logistiek), Economy (verdienmodellen), Social acceptance (maatschappelijk draagvlak), Technology (techniek), Innovative design (ontwerp) en Corporate & Community (organisaties en samenwerking).
Voor de ontwikkeling van de plesTic-aanpak werken experts vanuit de Rijksuniversiteit Groningen, Hanze en NHL Stenden samen op elk van deze plesTic-letters. De experts worden gevoed door de inzichten vanuit deelprojecten op concrete, actuele en relevante uitdagingen. Deze projecten worden uitgevoerd door bedrijven en kennisinstellingen. De plesTic-aanpak helpt zowel bestaande innovaties als nieuwe initiatieven om succesvol op de markt te komen.
Naast het ontwikkelen van de nieuwe aanpak en het begeleiden van innovatieprojecten zet plesTic Ready in op kennisdeling. Via bijeenkomsten, workshops en publicaties worden ervaringen en inzichten gedeeld. Met plesTic Ready krijgt de circulaire kunststofeconomie in Noord-Nederland een stevige impuls, vandaag én met het oog op de toekomst.
Annette Verhoef, directeur-bestuurder van Greenwise Campus, penvoerder van het project: “Met dit project investeren we niet alleen in technologie, maar ook in alles wat nodig is om innovaties daadwerkelijk van de grond te krijgen. Zo zorgen we ervoor dat zowel de ontwikkeling als de markt klaar is voor een succesvolle lancering
Volgens Willemien Meeuwissen, gedeputeerde provincie Drenthe, onderstreept het project het belang van regionale samenwerking:“Met plesTic Ready laten we zien dat Noord-Nederland klaar is om gezamenlijk te investeren in innovatie en duurzaamheid. Deze subsidie helpt om veelbelovende ideeën daadwerkelijk richting markt te brengen en versterkt tegelijkertijd onze regionale economie.”
Ook op lokaal niveau wordt het belang van het project gezien. Guido Rink, wethouder gemeente Emmen: “Dit project verbindt bedrijven, kennisinstellingen en overheden op een manier die nodig is voor echte impact. Door samen te werken over sectoren en bestuurslagen heen, zetten we concrete stappen richting een circulaire toekomst.”
Het consortium achter plesTic Ready bestaat uit Greenwise Campus, NHL Stenden, Hanzehogeschool Groningen, Rijksuniversiteit Groningen, bedrijvencluster SuspaccBiocooperatie , Circulair Groningen Drenthe, Vereniging Circulair Fryslân, de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen en de gemeenten Emmen en Heerenveen. Deze brede samenwerking draagt bij aan een krachtige mix van kennis, netwerk en uitvoeringskracht, met een gezamenlijke ambitie: Noord-Nederland positioneren als koploper in circulaire en biobased plastics.
Greenwise Circulaire Plastics, de circulaire verenigingen Groningen/Drenthe en Friesland en bedrijfscluster SuspaccBiocooperatie gaan samen met kennisinstellingen en overheden hiermee aan de slag.
Het project wordt mede gefinancierd door de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen en de gemeenten Emmen en Heerenveen, met subsidie vanuit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO). Met het project is een totale investering van 6 miljoen euro gemoeid.
Met de plesTic-aanpak wordt al in een vroeg stadium onderzocht welke factoren het succes van nieuwe technologieën of materialen in de weg staan. Niet alleen de technische kant krijgt aandacht, maar juist ook de niet-technologische randvoorwaarden. Hiervoor zijn de plesTic-letters: Policy (beleid), Logistics (ketens en logistiek), Economy (verdienmodellen), Social acceptance (maatschappelijk draagvlak), Technology (techniek), Innovative design (ontwerp) en Corporate & Community (organisaties en samenwerking).
Voor de ontwikkeling van de plesTic-aanpak werken experts vanuit de Rijksuniversiteit Groningen, Hanze en NHL Stenden samen op elk van deze plesTic-letters. De experts worden gevoed door de inzichten vanuit deelprojecten op concrete, actuele en relevante uitdagingen. Deze projecten worden uitgevoerd door bedrijven en kennisinstellingen. De plesTic-aanpak helpt zowel bestaande innovaties als nieuwe initiatieven om succesvol op de markt te komen.
Naast het ontwikkelen van de nieuwe aanpak en het begeleiden van innovatieprojecten zet plesTic Ready in op kennisdeling. Via bijeenkomsten, workshops en publicaties worden ervaringen en inzichten gedeeld. Met plesTic Ready krijgt de circulaire kunststofeconomie in Noord-Nederland een stevige impuls, vandaag én met het oog op de toekomst.
Annette Verhoef, directeur-bestuurder van Greenwise Campus, penvoerder van het project: “Met dit project investeren we niet alleen in technologie, maar ook in alles wat nodig is om innovaties daadwerkelijk van de grond te krijgen. Zo zorgen we ervoor dat zowel de ontwikkeling als de markt klaar is voor een succesvolle lancering
Volgens Willemien Meeuwissen, gedeputeerde provincie Drenthe, onderstreept het project het belang van regionale samenwerking:“Met plesTic Ready laten we zien dat Noord-Nederland klaar is om gezamenlijk te investeren in innovatie en duurzaamheid. Deze subsidie helpt om veelbelovende ideeën daadwerkelijk richting markt te brengen en versterkt tegelijkertijd onze regionale economie.”
Ook op lokaal niveau wordt het belang van het project gezien. Guido Rink, wethouder gemeente Emmen: “Dit project verbindt bedrijven, kennisinstellingen en overheden op een manier die nodig is voor echte impact. Door samen te werken over sectoren en bestuurslagen heen, zetten we concrete stappen richting een circulaire toekomst.”
Het consortium achter plesTic Ready bestaat uit Greenwise Campus, NHL Stenden, Hanzehogeschool Groningen, Rijksuniversiteit Groningen, bedrijvencluster SuspaccBiocooperatie , Circulair Groningen Drenthe, Vereniging Circulair Fryslân, de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen en de gemeenten Emmen en Heerenveen. Deze brede samenwerking draagt bij aan een krachtige mix van kennis, netwerk en uitvoeringskracht, met een gezamenlijke ambitie: Noord-Nederland positioneren als koploper in circulaire en biobased plastics.
vrijdag 10 april 2026
Noord-Holland wil meer actie op klimaat
De provincie Noord Holland neemt nieuwe maatregelen om de uitstoot van broeikasgassen verder terug te dringen. Dat staat in de voortgangsrapportage over het Noord-Hollandse klimaatbeleid.
De provincie werkt onder meer aan meer duurzame energie en aan het verduurzamen van de landbouw en de eigen organisatie. Tegelijk laat de rapportage zien dat het halen van de klimaatdoelen voor 2030 een grote uitdaging blijft. De voortgang hangt samen met landelijke regels, de inzet van andere partijen en ruimte op het elektriciteitsnet.
Gedeputeerde Anouk Gielen (klimaat en energie): “Uit het in maart verschenen rapport van de VN blijkt weer dat het niet goed gaat met het klimaat. De aarde hield in 2025 nog nooit eerder zoveel warmte vast. Met de stappen die we nu als provincie zetten, willen we het verschil maken. Dat kunnen we niet alleen. Door goed samen te werken maken we het tempo dat nodig is om Noord-Holland uiteindelijk klimaatneutraal te maken.”
De provincie zet in op het opwekken van meer duurzame energie. Noord-Holland wil de opwek van wind- en zonne-energie verder stimuleren. Bijvoorbeeld met zonnepanelen op grote daken, boven parkeerplaatsen en via innovatieve toepassingen waarbij zonne-energie wordt gecombineerd met landbouw.
In het landelijk gebied ondersteunt de provincie projecten die broeikasgassen verminderen en de bodem versterken. Zo wordt maaisel uit weidevogelgebieden in Zeevang en Waterland-Oost via de bokashimethode verwerkt tot een bodemverbeteraar en teruggebracht op het land. Tegelijk werkt de provincie, samen met medeoverheden, aan duidelijke randvoorwaarden voor de locatiekeuze van mestbewerkingsinstallaties, zoals vastgelegd in de Ruimtelijke Handreiking (collectieve) Mestbewerking in Noord-Holland.
De provincie werkt onder meer aan meer duurzame energie en aan het verduurzamen van de landbouw en de eigen organisatie. Tegelijk laat de rapportage zien dat het halen van de klimaatdoelen voor 2030 een grote uitdaging blijft. De voortgang hangt samen met landelijke regels, de inzet van andere partijen en ruimte op het elektriciteitsnet.
Gedeputeerde Anouk Gielen (klimaat en energie): “Uit het in maart verschenen rapport van de VN blijkt weer dat het niet goed gaat met het klimaat. De aarde hield in 2025 nog nooit eerder zoveel warmte vast. Met de stappen die we nu als provincie zetten, willen we het verschil maken. Dat kunnen we niet alleen. Door goed samen te werken maken we het tempo dat nodig is om Noord-Holland uiteindelijk klimaatneutraal te maken.”
De provincie zet in op het opwekken van meer duurzame energie. Noord-Holland wil de opwek van wind- en zonne-energie verder stimuleren. Bijvoorbeeld met zonnepanelen op grote daken, boven parkeerplaatsen en via innovatieve toepassingen waarbij zonne-energie wordt gecombineerd met landbouw.
In het landelijk gebied ondersteunt de provincie projecten die broeikasgassen verminderen en de bodem versterken. Zo wordt maaisel uit weidevogelgebieden in Zeevang en Waterland-Oost via de bokashimethode verwerkt tot een bodemverbeteraar en teruggebracht op het land. Tegelijk werkt de provincie, samen met medeoverheden, aan duidelijke randvoorwaarden voor de locatiekeuze van mestbewerkingsinstallaties, zoals vastgelegd in de Ruimtelijke Handreiking (collectieve) Mestbewerking in Noord-Holland.
donderdag 9 april 2026
Polsbandje kan straks microplastics in je lichaam opsporen
Onderzoekers werken aan een slim polsbandje dat in de toekomst mogelijk microplastics in het lichaam kan detecteren. Het apparaat maakt gebruik van sensortechnologie om kleine plasticdeeltjes op te sporen zonder dat er bloed hoeft te worden afgenomen.
De techniek bevindt zich nog in een vroege experimentele fase en is tot nu toe alleen getest in laboratoriumomstandigheden. Op dit moment kan het systeem deeltjes detecteren vanaf ongeveer 1 millimeter groot. Dat is nog relatief groot, aangezien de kleinste micro- en nanoplastics in het menselijk lichaam veel kleiner zijn.
Het idee achter het polsbandje is dat het uiteindelijk een niet-invasieve manier biedt om blootstelling aan microplastics te meten. Dat zou onderzoekers en artsen kunnen helpen om beter te begrijpen hoeveel plastic zich in het lichaam ophoopt en wat de mogelijke gezondheidsrisico’s zijn.
Toch is het nog te vroeg om te spreken van een praktisch hulpmiddel voor consumenten. De technologie moet eerst verder worden verfijnd voordat die nauwkeurig genoeg is voor gebruik buiten het lab.
De techniek bevindt zich nog in een vroege experimentele fase en is tot nu toe alleen getest in laboratoriumomstandigheden. Op dit moment kan het systeem deeltjes detecteren vanaf ongeveer 1 millimeter groot. Dat is nog relatief groot, aangezien de kleinste micro- en nanoplastics in het menselijk lichaam veel kleiner zijn.
Het idee achter het polsbandje is dat het uiteindelijk een niet-invasieve manier biedt om blootstelling aan microplastics te meten. Dat zou onderzoekers en artsen kunnen helpen om beter te begrijpen hoeveel plastic zich in het lichaam ophoopt en wat de mogelijke gezondheidsrisico’s zijn.
Toch is het nog te vroeg om te spreken van een praktisch hulpmiddel voor consumenten. De technologie moet eerst verder worden verfijnd voordat die nauwkeurig genoeg is voor gebruik buiten het lab.
woensdag 8 april 2026
Inzamelresultaten Statiegeld 2025: drankblik bewijst zich als circulaire koploper
Drankblik verstevigt zijn positie als een van de meest circulaire drankverpakkingen van Nederland. Uit de nieuwste voorlopige recyclingcijfers van Verpact blijkt dat het inzamelpercentage van blik in 2025 gestegen is naar 85-87%, ten opzichte van de 83% een jaar eerder. Daarmee behoort drankblik tot de best presterende statiegeldverpakkingen.
Volgens Beverage Can Benelux, de non-profitorganisatie die de belangen van drankblikfabrikanten in de Benelux behartigt, tonen de cijfers aan dat de invoering van statiegeld op blik in 2023 snel en effectief resultaat heeft opgeleverd: “De snelheid waarmee deze resultaten zijn bereikt, laat zien dat het systeem werkt. Met de verdere uitbreiding van het aantal innamepunten in 2026 achten wij een inzamelpercentage van 90% realistisch,” aldus Vera Ortmanns, Manager voor Beverage Can Benelux.
De stijging van het inzamelpercentage van drankblik wordt door de sector gezien als een mijlpaal. Ondanks dat drankblik als laatste werd toegevoegd aan het statiegeldsysteem, heeft het zich in korte tijd ontwikkeld tot een sterke performer binnen het Nederlandse recyclingsysteem. Binnen het segment drankverpakkingen gaat blik daarmee aan kop.
De positieve ontwikkeling draagt niet alleen bij aan hogere recyclingpercentages, maar ook aan een substantiële afname van zwerfafval. Beverage Can Benelux ziet nog ruimte voor verdere verbetering. “Meer bewustzijn bij consumenten over de circulaire eigenschappen van drankverpakkingen, en met name drankblik, kan direct bijdragen aan nog hogere inzamel- en recyclingpercentages.”
Ondanks de sterke prestaties, wordt drankblik door consumenten nog niet altijd als de meest duurzame keuze gezien. Uit onderzoek van Every Can Counts (augustus 2025) blijkt dat slechts 14% van de Nederlanders aluminiumblikjes beschouwt als de meest recyclebare drankverpakking. Volgens Beverage Can Benelux ontstaat hierdoor een duidelijke paradox: consumenten willen duurzaam kiezen, maar onderschatten juist de verpakking die het best scoort op circulariteit en recycling.
Wat drankblik onderscheidt van andere drankverpakkingen, is de unieke mate van circulariteit. Aluminium is uitstekend recyclebaar zonder kwaliteitsverlies en blijft in de keten. Een gebruikt blikje kan daardoor steeds opnieuw worden omgezet in een nieuw blikje. In combinatie met hoge inzamelpercentages maken drankblikjes dit tot een van de meest efficiënte en toekomstbestendige verpakkingsoplossingen.
Nederland heeft de ambitie om in 2050 een volledig circulaire economie te zijn, waarbij grondstoffen worden hergebruikt en afval vrijwel verdwijnt. Drankblik sluit hier naadloos op aan. “Dankzij een efficiënt innamesysteem en het vermogen om hoogwaardig te recyclen, blijft het materiaal continu in de kringloop en wordt de behoefte aan nieuwe grondstoffen verminderd,” benadrukt Ortmanns.
Ook Europese regelgeving onderstreept het belang van circulaire verpakkingen. De aankomende Packaging and Packaging Waste Regulation (PPWR) stelt strengere eisen aan onder meer gerecycled materiaal en design for recycling. Drankblik voldoet al in grote mate aan deze principes en is daarmee goed voorbereid op toekomstige wetgeving.
Volgens Beverage Can Benelux, de non-profitorganisatie die de belangen van drankblikfabrikanten in de Benelux behartigt, tonen de cijfers aan dat de invoering van statiegeld op blik in 2023 snel en effectief resultaat heeft opgeleverd: “De snelheid waarmee deze resultaten zijn bereikt, laat zien dat het systeem werkt. Met de verdere uitbreiding van het aantal innamepunten in 2026 achten wij een inzamelpercentage van 90% realistisch,” aldus Vera Ortmanns, Manager voor Beverage Can Benelux.
De stijging van het inzamelpercentage van drankblik wordt door de sector gezien als een mijlpaal. Ondanks dat drankblik als laatste werd toegevoegd aan het statiegeldsysteem, heeft het zich in korte tijd ontwikkeld tot een sterke performer binnen het Nederlandse recyclingsysteem. Binnen het segment drankverpakkingen gaat blik daarmee aan kop.
De positieve ontwikkeling draagt niet alleen bij aan hogere recyclingpercentages, maar ook aan een substantiële afname van zwerfafval. Beverage Can Benelux ziet nog ruimte voor verdere verbetering. “Meer bewustzijn bij consumenten over de circulaire eigenschappen van drankverpakkingen, en met name drankblik, kan direct bijdragen aan nog hogere inzamel- en recyclingpercentages.”
Ondanks de sterke prestaties, wordt drankblik door consumenten nog niet altijd als de meest duurzame keuze gezien. Uit onderzoek van Every Can Counts (augustus 2025) blijkt dat slechts 14% van de Nederlanders aluminiumblikjes beschouwt als de meest recyclebare drankverpakking. Volgens Beverage Can Benelux ontstaat hierdoor een duidelijke paradox: consumenten willen duurzaam kiezen, maar onderschatten juist de verpakking die het best scoort op circulariteit en recycling.
Wat drankblik onderscheidt van andere drankverpakkingen, is de unieke mate van circulariteit. Aluminium is uitstekend recyclebaar zonder kwaliteitsverlies en blijft in de keten. Een gebruikt blikje kan daardoor steeds opnieuw worden omgezet in een nieuw blikje. In combinatie met hoge inzamelpercentages maken drankblikjes dit tot een van de meest efficiënte en toekomstbestendige verpakkingsoplossingen.
Nederland heeft de ambitie om in 2050 een volledig circulaire economie te zijn, waarbij grondstoffen worden hergebruikt en afval vrijwel verdwijnt. Drankblik sluit hier naadloos op aan. “Dankzij een efficiënt innamesysteem en het vermogen om hoogwaardig te recyclen, blijft het materiaal continu in de kringloop en wordt de behoefte aan nieuwe grondstoffen verminderd,” benadrukt Ortmanns.
Ook Europese regelgeving onderstreept het belang van circulaire verpakkingen. De aankomende Packaging and Packaging Waste Regulation (PPWR) stelt strengere eisen aan onder meer gerecycled materiaal en design for recycling. Drankblik voldoet al in grote mate aan deze principes en is daarmee goed voorbereid op toekomstige wetgeving.
dinsdag 7 april 2026
Hoger tarief voor afvalverbranding Zaanstad
Inwoners van Zaanstad krijgen waarschijnlijk te maken met een flinke stijging van de afvalkosten. Door een hogere landelijke belasting op het verbranden van afval lopen de gemeentelijke uitgaven op, wat direct gevolgen heeft voor huishoudens.
De extra kosten kunnen oplopen tot zo’n 50 tot 70 euro per jaar per huishouden. Vooral Zaanstad wordt relatief hard geraakt, omdat de gemeente veel restafval produceert en daardoor sterk afhankelijk is van afvalverbranding.
De belasting op afvalverbranding stijgt de komende jaren fors. Gemeenten moeten daardoor meer betalen om restafval te laten verwerken, en die kosten worden doorgaans doorberekend aan inwoners.
Om de stijging te beperken, onderzoekt de gemeente verschillende maatregelen. Denk aan aanpassingen in de afvalinzameling of systemen waarbij huishoudens minder betalen als ze minder restafval aanbieden. Het doel is om afvalscheiding te verbeteren en de hoeveelheid restafval terug te dringen.
De situatie onderstreept hoe gevoelig lokale afvaltarieven zijn voor landelijke beleidswijzigingen. Zonder veranderingen in gedrag of beleid dreigen de kosten voor inwoners de komende jaren verder op te lopen.
De extra kosten kunnen oplopen tot zo’n 50 tot 70 euro per jaar per huishouden. Vooral Zaanstad wordt relatief hard geraakt, omdat de gemeente veel restafval produceert en daardoor sterk afhankelijk is van afvalverbranding.
De belasting op afvalverbranding stijgt de komende jaren fors. Gemeenten moeten daardoor meer betalen om restafval te laten verwerken, en die kosten worden doorgaans doorberekend aan inwoners.
Om de stijging te beperken, onderzoekt de gemeente verschillende maatregelen. Denk aan aanpassingen in de afvalinzameling of systemen waarbij huishoudens minder betalen als ze minder restafval aanbieden. Het doel is om afvalscheiding te verbeteren en de hoeveelheid restafval terug te dringen.
De situatie onderstreept hoe gevoelig lokale afvaltarieven zijn voor landelijke beleidswijzigingen. Zonder veranderingen in gedrag of beleid dreigen de kosten voor inwoners de komende jaren verder op te lopen.
vrijdag 3 april 2026
Groene claims tuincentra kloppen vaak niet
Biologische potgrond bestaat niet. Toch verkopen tuincentra volop zakken potgrond met daarop de term ‘Bio’. Dat blijkt uit onderzoek van de Consumentenbond. Ook andere milieu- en diervriendelijke claims in tuincentra kloppen vaak niet.
De Consumentenbond bekeek het aanbod planten, zaden, bloembollen en potgrond bij verschillende grote bouwmarkten en tuincentra. Op opvallend veel verpakkingen van met name bloembollen zagen de onderzoekers insectvriendelijke claims als ‘Bee-friendly’ en ‘Useful insects friendly’. Maar de bollen bevatten resten van bestrijdingsmiddelen die mogelijk schadelijk zijn voor insecten.
Eén van de bloembollenverkopers, Florex, beweert dat het grootste deel van het gif verdwenen is tegen de tijd dat de bloemen uitkomen. Maar bewijs hiervoor werd niet gegeven.
Ook bij de potgrond gaat het mis. Op veel zakken prijkt groot de term ‘Bio’. Maar dat betekent alleen maar dat de grond gebruikt mag worden in de biologische landbouw en dus geen kunstmest bevat. Maar het grootste duurzaamheidsprobleem van potgrond zit hem in het ingrediënt veen (turf). Het afgraven van veengrond tast het landschap aan, zorgt voor schade aan de natuur en veroorzaakt veel CO2-uitstoot. Ook in ‘Bio’ potgrond zit regelmatig turf.
Er is ook potgrond te koop met het MPS Keurmerk. Dat betekent dat de grondstoffen op een verantwoorde manier zijn gewonnen en bijvoorbeeld niet uit beschermd natuurgebied komen. Maar de claim ‘van duurzaam natuurlijke oorsprong’ die onder dit keurmerk staat, gaat veel te ver. Want turf is nog steeds toegestaan (maximaal 75%). E
De Consumentenbond bekeek het aanbod planten, zaden, bloembollen en potgrond bij verschillende grote bouwmarkten en tuincentra. Op opvallend veel verpakkingen van met name bloembollen zagen de onderzoekers insectvriendelijke claims als ‘Bee-friendly’ en ‘Useful insects friendly’. Maar de bollen bevatten resten van bestrijdingsmiddelen die mogelijk schadelijk zijn voor insecten.
Eén van de bloembollenverkopers, Florex, beweert dat het grootste deel van het gif verdwenen is tegen de tijd dat de bloemen uitkomen. Maar bewijs hiervoor werd niet gegeven.
Ook bij de potgrond gaat het mis. Op veel zakken prijkt groot de term ‘Bio’. Maar dat betekent alleen maar dat de grond gebruikt mag worden in de biologische landbouw en dus geen kunstmest bevat. Maar het grootste duurzaamheidsprobleem van potgrond zit hem in het ingrediënt veen (turf). Het afgraven van veengrond tast het landschap aan, zorgt voor schade aan de natuur en veroorzaakt veel CO2-uitstoot. Ook in ‘Bio’ potgrond zit regelmatig turf.
Er is ook potgrond te koop met het MPS Keurmerk. Dat betekent dat de grondstoffen op een verantwoorde manier zijn gewonnen en bijvoorbeeld niet uit beschermd natuurgebied komen. Maar de claim ‘van duurzaam natuurlijke oorsprong’ die onder dit keurmerk staat, gaat veel te ver. Want turf is nog steeds toegestaan (maximaal 75%). E
donderdag 2 april 2026
Stikstof in Nederland bekeken vanuit de ruimte
Het monitoren van de twee belangrijkste spelers in de stikstofproblematiek, de gassen ammoniak (NH3) en stikstofdioxide (NO2), is van groot belang om de gevolgen voor natuur, mens en klimaat in kaart te brengen. Beide gassen worden waargenomen vanuit de ruimte met satellietinstrumenten. Deze metingen vormen een extra toets voor de kwaliteit van de gebruikte modellen voor het beschrijven van het transport, de chemische omzetting en de depositie van stikstof. Verder kunnen we op basis van deze metingen schattingen maken van de uitstoot van beide gassen. Een recent uitgebracht onderzoeksrapport laat zien hoe deze satellietmetingen van nut kunnen zijn voor het verbeteren van de kennis van stikstof in Nederland.
Satellieten meten de totale hoeveelheid ammoniak en stikstofdioxide in de atmosfeer, en zijn complementair aan metingen gedaan op de grond (zie afbeelding 1). Satellieten meten met verschillende instrumenten overal, ook op plekken waar geen grondstation is. Het satellietonderzoek beschreven in het onderzoeksrapport maakt gebruik van ammoniak waarnemingen van de CrIS- en IASI-instrumenten, en stikstofdioxide waarnemingen van het TROPOMI-instrument.
De belangrijkste conclusies van het satellietonderzoek zijn:
De kwaliteit van de satellietmetingen van ammoniak en stikstofdioxide is goed genoeg om informatie toe te voegen aan de huidige kennis van stikstof. De metingen van ammoniak zijn minder nauwkeurig dan voor stikstofdioxide, maar de onzekerheden in de modellering en emissies zijn ook groter voor ammoniak.
De satellietmetingen laten zien dat de modellen die in Nederland gebruikt worden voor het modelleren van stikstof op uurlijkse basis (EMEP4NL, LOTOS-EUROS) realistisch zijn. De gemodelleerde totale hoeveelheid, verdeling over Nederland, tijdsafhankelijkheid en zelfs gesimuleerde individuele pluimen tonen een grote mate van overeenkomst met de satellietmetingen, wat vertrouwen geeft in de kennis en modellering van de uitstoot, transport in de atmosfeer en chemische omzetting.
Satellieten geven onafhankelijke informatie over emissies om de gerapporteerde emissies te toetsen. Als voorbeeld geeft afbeelding 2 de gemiddelde hoeveelheid stikstofdioxide in de lucht en de hoeveelheid uitgestoten stikstofdioxide voor het jaar 2019. Vier onafhankelijke methoden zijn getest om emissies te schatten voor ammoniak en de twee stikstofoxiden NO en NO2 (samen aangeduid met NOx) op basis van satellietmetingen. De spreiding in de uitkomsten – 20 tot 30 procent voor de totale uitstoot – geeft waardevolle informatie over de onzekerheden van de schattingen (zie afbeelding 3). De resulterende emissietotalen liggen dicht bij de gerapporteerde emissies (emissieregistratie.nl) en vallen grotendeels binnen de onzekerheidsgrenzen van de satellietgegevens, inversiemethoden en de inventarisatie. Er werd in 2020 gemiddeld zo'n 200 miljoen kilo aan stikstofoxiden uitgestoten, dat is het gewicht van 500
Een begrip van stikstof in Nederland berust op kennis van de uitstoot (emissie), het transport van stikstof door de wind, chemische omzetting van stikstof in de atmosfeer en uiteindelijk de depositie, het neerslaan van stikstof in bijvoorbeeld natuurgebieden. Het huidige instrumentarium in Nederland bestaat uit metingen aan de grond (vierkantjes in afbeelding) van concentraties, chemische samenstelling en depositiefluxen. Satellieten voegen daar waarnemingen in de hogere luchtlagen aan toe: ze meten de totale kolomhoeveelheid in de atmosfeer. Hiermee kan de uitstoot en het transport door de atmosfeer bepaald worden, wat indirect ook informatie geeft over de hoeveelheid depositie.
Het KNMI heeft bijgedragen aan dit onderzoek door het leveren van stikstofdioxide metingen van TROPOMI, met de verdere ontwikkeling van de KNMI DECSO (Daily Emissions Constrained by Satellite Observations) software voor het schatten van NH3 en NOx emissies, en het ontwikkelen van een verbeterde flux divergentie methode (FDA) voor het schatten van NOx emissies op basis van TROPOMI metingen.
Satellieten meten de totale hoeveelheid ammoniak en stikstofdioxide in de atmosfeer, en zijn complementair aan metingen gedaan op de grond (zie afbeelding 1). Satellieten meten met verschillende instrumenten overal, ook op plekken waar geen grondstation is. Het satellietonderzoek beschreven in het onderzoeksrapport maakt gebruik van ammoniak waarnemingen van de CrIS- en IASI-instrumenten, en stikstofdioxide waarnemingen van het TROPOMI-instrument.
De belangrijkste conclusies van het satellietonderzoek zijn:
De kwaliteit van de satellietmetingen van ammoniak en stikstofdioxide is goed genoeg om informatie toe te voegen aan de huidige kennis van stikstof. De metingen van ammoniak zijn minder nauwkeurig dan voor stikstofdioxide, maar de onzekerheden in de modellering en emissies zijn ook groter voor ammoniak.
De satellietmetingen laten zien dat de modellen die in Nederland gebruikt worden voor het modelleren van stikstof op uurlijkse basis (EMEP4NL, LOTOS-EUROS) realistisch zijn. De gemodelleerde totale hoeveelheid, verdeling over Nederland, tijdsafhankelijkheid en zelfs gesimuleerde individuele pluimen tonen een grote mate van overeenkomst met de satellietmetingen, wat vertrouwen geeft in de kennis en modellering van de uitstoot, transport in de atmosfeer en chemische omzetting.
Satellieten geven onafhankelijke informatie over emissies om de gerapporteerde emissies te toetsen. Als voorbeeld geeft afbeelding 2 de gemiddelde hoeveelheid stikstofdioxide in de lucht en de hoeveelheid uitgestoten stikstofdioxide voor het jaar 2019. Vier onafhankelijke methoden zijn getest om emissies te schatten voor ammoniak en de twee stikstofoxiden NO en NO2 (samen aangeduid met NOx) op basis van satellietmetingen. De spreiding in de uitkomsten – 20 tot 30 procent voor de totale uitstoot – geeft waardevolle informatie over de onzekerheden van de schattingen (zie afbeelding 3). De resulterende emissietotalen liggen dicht bij de gerapporteerde emissies (emissieregistratie.nl) en vallen grotendeels binnen de onzekerheidsgrenzen van de satellietgegevens, inversiemethoden en de inventarisatie. Er werd in 2020 gemiddeld zo'n 200 miljoen kilo aan stikstofoxiden uitgestoten, dat is het gewicht van 500
Een begrip van stikstof in Nederland berust op kennis van de uitstoot (emissie), het transport van stikstof door de wind, chemische omzetting van stikstof in de atmosfeer en uiteindelijk de depositie, het neerslaan van stikstof in bijvoorbeeld natuurgebieden. Het huidige instrumentarium in Nederland bestaat uit metingen aan de grond (vierkantjes in afbeelding) van concentraties, chemische samenstelling en depositiefluxen. Satellieten voegen daar waarnemingen in de hogere luchtlagen aan toe: ze meten de totale kolomhoeveelheid in de atmosfeer. Hiermee kan de uitstoot en het transport door de atmosfeer bepaald worden, wat indirect ook informatie geeft over de hoeveelheid depositie.
Het KNMI heeft bijgedragen aan dit onderzoek door het leveren van stikstofdioxide metingen van TROPOMI, met de verdere ontwikkeling van de KNMI DECSO (Daily Emissions Constrained by Satellite Observations) software voor het schatten van NH3 en NOx emissies, en het ontwikkelen van een verbeterde flux divergentie methode (FDA) voor het schatten van NOx emissies op basis van TROPOMI metingen.
woensdag 1 april 2026
Optimale groeiplek van de plant zandraket is opgeschoven door klimaatverandering
Een wereldwijd, grootschalig experiment met de zandraket (Arabidopsis thaliana) toont aan dat de optimale groeiplek van deze planten door klimaatverandering is opgeschoven. De studie, geleid door onderzoekers uit onder andere Berkeley en Stanford en vandaag gepubliceerd in Science, suggereert ook dat plantenpopulaties zich in potentie snel kunnen aanpassen aan klimaatverandering. “Dat is bemoedigend,” zeg Utrechtse plantenonderzoeker Martijn van Zanten, die samen met bio-informaticus Basten Snoek meedeed aan het onderzoek. “Maar de voorwaarde is dan wel dat er genoeg genetische variatie is.”
Snoek en Van Zanten droegen bij aan het project door twaalf proefveldjes in de Botanische Tuinen van de Universiteit Utrecht in te zaaien met een mix van zandraketzaden en de ontwikkelingen van deze ‘plotjes’ gedurende meerdere jaren goed te volgen. De zaden waren afkomstig van nakomelingen van zandraketplanten die ooit uit de natuur werden verzameld, op 231 verschillende locaties verspreid over het hele noordelijk halfrond. Deze planten groeiden oorspronkelijk op allerlei uiteenlopende plekken en in allerlei klimaten: van de subtropen tot aan de poolcirkel.
Voorafgaand aan het experiment werden alle planten samen in Duitsland opgegroeid, allemaal onder precies dezelfde omstandigheden. Daar werden hun zaden geoogst. Onderzoekers zaaiden vervolgens elk 12 plotjes in met exact dezelfde zadenmix, op 43 verschillende locaties in uiteenlopende klimaten verspreid over het noordelijk halfrond, waaronder de Utrechtse Botanische Tuinen. De plantjes lieten ze simpelweg opgroeien, waarbij de weer- en klimaatomstandigheden nauwgezet in kaart werden gebracht.
De onderzoekers verzamelden iedere twee weken een bloemetje van alle planten die bloeiden in de plotjes. Per plotje werden de bloemetjes ‘gesequenced’: de genetische code van de bloeiende planten werd in kaart gebracht. “Zo kregen we iedere twee weken een beeld van alle varianten die in ieder plotje te vinden waren,” geeft Snoek aan. “En dit werd op alle plekken gedaan, in totaal vijf jaar lang. Dat leverde dus heel veel data op, die door de hoofdauteurs van het artikel uitgebreid werden geanalyseerd. Ze keken niet alleen naar welke plantenvarianten er op een plek overblijven, maar ook welke genen en allelen, varianten van genen, en dus welke genen een positief effect hebben op aanpassing aan het klimaat.”
De huidige studie rapporteert over de eerste drie jaar van het experiment. “Er kwamen echt heel veel inzichten uit dit experiment,” vertelt Van Zanten. “Zo laat de studie zien dat zandraketpopulaties zich in vergelijkbare klimaten op dezelfde manier aanpassen. De plotjes in Madrid leken na een aantal jaar bijvoorbeeld erg op die in Griekenland: dezelfde varianten deden het daar goed. Maar er bleven daar wel hele andere varianten over dan in het hoge noorden, terwijl locaties in het noorden wel weer meer op elkaar leken. Hoe plantenpopulaties evolueren is dus voorspelbaar en gerelateerd aan de omgeving.”
Snoek en Van Zanten droegen bij aan het project door twaalf proefveldjes in de Botanische Tuinen van de Universiteit Utrecht in te zaaien met een mix van zandraketzaden en de ontwikkelingen van deze ‘plotjes’ gedurende meerdere jaren goed te volgen. De zaden waren afkomstig van nakomelingen van zandraketplanten die ooit uit de natuur werden verzameld, op 231 verschillende locaties verspreid over het hele noordelijk halfrond. Deze planten groeiden oorspronkelijk op allerlei uiteenlopende plekken en in allerlei klimaten: van de subtropen tot aan de poolcirkel.
Voorafgaand aan het experiment werden alle planten samen in Duitsland opgegroeid, allemaal onder precies dezelfde omstandigheden. Daar werden hun zaden geoogst. Onderzoekers zaaiden vervolgens elk 12 plotjes in met exact dezelfde zadenmix, op 43 verschillende locaties in uiteenlopende klimaten verspreid over het noordelijk halfrond, waaronder de Utrechtse Botanische Tuinen. De plantjes lieten ze simpelweg opgroeien, waarbij de weer- en klimaatomstandigheden nauwgezet in kaart werden gebracht.
De onderzoekers verzamelden iedere twee weken een bloemetje van alle planten die bloeiden in de plotjes. Per plotje werden de bloemetjes ‘gesequenced’: de genetische code van de bloeiende planten werd in kaart gebracht. “Zo kregen we iedere twee weken een beeld van alle varianten die in ieder plotje te vinden waren,” geeft Snoek aan. “En dit werd op alle plekken gedaan, in totaal vijf jaar lang. Dat leverde dus heel veel data op, die door de hoofdauteurs van het artikel uitgebreid werden geanalyseerd. Ze keken niet alleen naar welke plantenvarianten er op een plek overblijven, maar ook welke genen en allelen, varianten van genen, en dus welke genen een positief effect hebben op aanpassing aan het klimaat.”
De huidige studie rapporteert over de eerste drie jaar van het experiment. “Er kwamen echt heel veel inzichten uit dit experiment,” vertelt Van Zanten. “Zo laat de studie zien dat zandraketpopulaties zich in vergelijkbare klimaten op dezelfde manier aanpassen. De plotjes in Madrid leken na een aantal jaar bijvoorbeeld erg op die in Griekenland: dezelfde varianten deden het daar goed. Maar er bleven daar wel hele andere varianten over dan in het hoge noorden, terwijl locaties in het noorden wel weer meer op elkaar leken. Hoe plantenpopulaties evolueren is dus voorspelbaar en gerelateerd aan de omgeving.”



















